De laatste client van die dag trok de deur achter haar dicht.
Niet veel later stapte ik naar buiten.
De donkere avond in.
Het was net na zessen.
Een aardappelschotel in de oven.
Op m’n laarzen stapte ik langs het kanaal.
Lopen.
Frisse lucht, wind in m’n gezicht.
In beweging komen.
Om creativiteit te voeden. Op te wekken.
M’n eigen levenslust aan te wakkeren.
De kraakheldere sterrenhemel was overmeesterd door een pak donkere wolken.
De bijna nieuwe maan dus ook.
Koud was het niet.
In tegendeel.
Ik doe geen lampje aan.
Met het licht aan zie ik in het duister namelijk niet.
Het moet donker zijn om in de avond te kunnen zien.
Misschien is dat wel waarom de herfst en de winter zo geschikt zijn om een reis door je binnenwereld te maken.
Met dat het nu weer zo vroeg donker is, merk ik in mezelf ook een shift.
Het is wat onrustiger in mij.
Neem projecties eerder aan.
Ik vang de bal wat sneller.
“Heb je geen lampje,” vraagt een vrouw met een grote lamp in haar hand.
Het lijkt wel een bouwlamp.
De bouwlamp bij het woonhuis achter haar verblindt me ieder najaar en winter weer.
“Waar ga je naartoe,” beantwoorde ze mijn reactie dat ik het lampje van m’n telefoon wel bij me hadt.
Ik wees naar het bosje tussen de heidevelden en weilanden door, “de Robertusweg” zei ik.
“Er liep net een dier daar. Het was zo groot,” ze hield haar hand ongeveer een halve meter van de grond, “ik denk dat het een vos was. Vast geen wolf.”
“Mijn gedachten schoten naar een gesprek eerder die dag. Toen ging het ook over ‘de wolf’.
“Het liep eerst achter ons aan,” ze hield een hondenriem omhoog.
“Ja, de hond is naar huis gerent,” vervolgde ze
“Toen ik het licht op het beest scheen sprong hij weg. Maak maar goed lawaai als je daar langsloopt.”
“Zijn zij niet banger voor ons, dan wij voor hen,” vroeg ik.
“Ja, het rende ook weg hoor,” probeerde ze me gerust te stellen.
Was ik ongerust dan?
Zo voelde het niet.
Toen ik doorliep,
de weg af,
het zandpad op tussen de bomen door,
toen begon de energie in m’n buik wel wat onstuimig te worden.
Het kolkte een beetje.
Ik vertelde mezelf dat het gezonde spanning was.
M’n lampje had ik aan en richtte ik net achter m’n hakken op de grond.
M’n pas had zich versneld besefte ik me na een tijdje.
Toch wat onrust dus.
Ik keek achterom.
Niets te zien.
In de verre verte hoorde ik wat eenden.
M’n zintuigen stonden aan.
Net nadat ik over het vee rooster was gelopen stond ik stil.
Lampje uit.
Geen wolf.
Geen vos.
M’n ogen begonnen langzaam weer aan het duister te wennen.
Met een grijns om m’n snoet liep ik verder over de heide, over zandpaadjes, naar huis.
Ik had de bal gevangen.
De projectie van die vrouw die het spannend vond om in het donker door het bosje te lopen.

