Vanuit het raam zie ik vier reetjes de verkeerde kant op rennen.
Het is pas éen uur ’s middags.
Meestal laten ze zich niet zien op dit uur van de dag.
Het lijkt alsof ze een estafette aan het doen zijn.
Telkens trekt de voorste een sprintje, komen de anderen éen voor éen ook in beweging.
De voorste wacht tot de kudde weer bij elkaar is en trekt het volgende sprintje.
Het is donderdag en de cliënt van die ochtend is net de deur uit.
Ze had het aangedurfd om door de sneeuw deze kant op te komen.
Donderdag was dat ook niet zo’n probleem.
Een stralend zonnetje en wit zover je kon kijken.
De wegen die de dorpen met elkaar verbinden waren goed schoon.
In het dorp zelf lag op de straten een dikke laag ijs, die na iedere sneeuwbui weer van een extra laagje werd voorzien.
Het deed me denken aan de tijd dat mijn opa en oma Dijkhuis nog leefden.
Dat was voor mijn tijd.
Maar uit de verhalen heb ik weleens gehoord dat, toen zij het familiehuis hier bouwden, de doorgaande straat nog een zandweg was.
Daar rij je natuurlijk ook niet zo hard overheen als nu met een dik pak sneeuw.
Nou hadden opa en oma geen auto.
Opa reed op een solex.
Ik heb nog wel een foto met een mooi verhaal erbij van hem op die solex.
Opa schijnt namelijk een flinke roker te zijn geweest.
Op een goed moment had hij tegen iedereen gezegd dat hij d’r mee was gestopt.
Een tijdje later kwam hij in de krant met een interview rondom zijn werk.
Foto erbij van opa op zijn solex.
Zwart leren jas aan.
Sigaar in z’n hand.
Zo kwam oma erachter dat hij toch niet was gestopt.
Zijn portretfoto hangt bij mij aan de muur om het gat dat erachter zit te bedekken.
Als ik naar hem kijk dan vraag ik me vaak af of hij me iets, en wat, hij me duidelijk wil maken.
Maar ik kom er almaar niet bij wat het precies is.
Al bijna drie en half jaar niet.
Zo lang hangt hij daar.
Een kwartiertje later lijkt de kudde reetjes in de gaten te hebben dat ze, na het bosje, zo het dorp in rennen en zie ik ze weer de andere kant op bewegen.
