Ergens net over de grens bij Emmen verkende ik afgelopen week een nieuw stuk land.
Langs de kant van de weg lagen stapels dode mensen.
Aangekomen in een spookstad doe ik op een heel vuil toilet m’n behoefte.
Er komen allemaal mannen binnen.
Een paar dagen later probeer ik de relatie van vrienden te lijmen.
Laat iemand die ik van vroeger ken zien dat ze blaren op haar vingers heeft.
En weet ik uit een schip te ontsnappen die gegrepen wordt door een golf, terwijl een aantal familieleden wel omkomt.
Iedere ochtend was ik vroeg wakker.
Iedere avond was ik vroeg moe.
Ik heb veel gereisd deze week.
Gedroomd.
Alle elementen in de droom ben je zelf, dacht Jung.
Dus het nieuwe land, de dode mensen, de spookstad, de golf, m’n familieleden.
Ik ben ze/het allemaal.
Toen ik een paar dagen geleden een rondje rondom het dorp liep,
Keek ik naar het westen en zag dat de vam in Wijster een wolk rook produceerde die afstak tegen de inmiddels donkere hemel.
Witte rook.
Er is een beslissing genomen.
Ik dacht, misschien is dat ook wel de boodschap van mijn dromen deze week.
En dat er daarom zoveel stukken van mij dood moesten.
Dat ik een jasje uit mag doen.
En dat het daar nu echt tijd voor is.
Dromen voelen als een magische spiegel.
Vaak laten ze me dingen zien waar ik me nog niet bewust van was.
Ze hebben een eigen taal.
Ik kan er lang niet altijd chocola van maken.
Het is de taal van het onbewuste, de ziel, en die is heel anders dan de taal van het bewustzijn.
Soms heb ik ineens een droom die iets in me wakker maakt.
Dan kan ik de boodschap interpreteren.
Dat voel ik dan in mijn lijf.
Want het raakt.
Resoneert.
Volgens mij is het tijd om een jasje uit te doen.

