Donderdag aan het einde van de middag vertrokken we.
De rijst hadden we al gekookt, net als de spitskool en rundervinken.
We dachten dat we er een uurtje over zouden doen.
Onderweg kwamen we langs het huis van m’n vader.
Hij stond langs de kant van de weg toen we voorbijkwamen, we maakten een kort praatje en toen zwaaide hij ons uit.
De Allis Chalmers was gerepareerd en dat was te merken.
Over de grote weg reed’ie in z’n vier, elf kilometer per uur.
Over landweggetjes in z’n drie en dan de helft van de snelheid.
Gestaag trok hij ons en de huifkar van het ene naar het andere dorp, over het mantingerveld, door de plassen naar onze overnachtingsplek.
Twee uur na vertrek kwamen we aan.
De boel installeren.
Eten.
En nog even een wandelingetje.
’s Ochtends werden we om een uur of zeven wakker.
Regen tikte tegen het zeil.
Binnen was het knus.
Pas toen de bui over was gingen we eruit.
Bed opruimen, cacao’tje maken en eerst even lekker op het bankje buiten wakker worden.
Een dame met haar poedel kwam voorbij.
“Hij doet niets,” riep ze toen hij enthousiast kennis met ons kwam maken.
“Hoe oud denk je dat ik ben,” vroeg ze even later.
Hij begon te lachen, ik was even de draad kwijt.
Hoe kwam het gesprek hier nou op uit?
“Toe maar, zeg maar hoe oud je denkt dat ik ben, alles is goed.”
“86,” lachte hij.
“Nee,” zei ik serieus, “71”.
“Hij zegt dat expres,” zei de dame, “maar zo oud ben ik niet, want dan zou ik niet op deze fiets hier rijden,” vervolgde ze, “ik ben 81,” besloot ze haar zin.
Ik vroeg me af wat het verschil is tussen 81 en 86.
Behalve dan vijf jaar.
We praten nog wat.
Over de omgeving, de tijd waarin we leven en toen fietste ze door.
Na het ontbijt zetten we koers richting de Iberenplas.
De eindbestemming van onze 24-uurs huifkar tocht.
Die het effect had van minimaal 1 week vakantie.
Het tempo vertraagde niet alleen m’n ritme, maar ook m’n denken.
En alles wat normaal belangrijk lijkt kon een paar lagen dieper zakken.
