“Wees als een boom”.
Ik was naast hem op het mos komen zitten.
Ogen op de burcht gericht, trachtend muisstil te zitten.
Stil als een boom.
Hij had de das zojuist gezien die vervolgens zijn hol was ingeschoten.
Het is negen uur ’s avonds en het is stil in het bos.
Af en toe hoor ik een vogel fladderen.
Dat niet bewegen…
Ik moet aan mijn Vipassana ervaringen denken.
En het niet reageren op sensaties.
Het lukt me nog niet helemaal.
Dat beestje op m’n hand kietelt.
Ik kan het niet laten m’n hand te bewegen.
Dan toch heel even opzij kijken, want straks gebeurt daar wat en missen we het.
Maar meestal zit ik als een boom.
Terwijl m’n ogen de omgeving scannen.
En dan toch weer, zonder het te beseffen draait m’n hoofd.
Vanuit m’n ooghoeken zie ik hem glimlachen.
“Ik ben geen boom he” fluister ik teleurgesteld.
“Nee,” zegt hij, “kom laten we maar even langs z’n huis lopen.”
Met dat we langs de holen lopen schiet het me in de zinnen.
Op de dag af een jaar geleden, om elf uur ’s avonds, reed ik op de Hoogeveenseweg.
Vanuit de richting Westerbork naar Hoogeveen.
Ter hoogte van de afslag Wijster.
Een suïcidale das rent de weg over. Precies voor m’n wielen.
Dood.
Die avond ervoor was er iets ingrijpends gebeurd.
Het heeft me de maanden daarna behoorlijk in z’n greep gehouden.
En dan riep ik af en toe het dassenvolk aan.
De spirit van de das die zich voor me had opgeofferd.
Ik vroeg om hulp.
“Welkom dassenvolk,” zei ik dan.
De speelse en agressieve spirit van de das heeft het afgelopen jaar veel voor me gedaan.
Het heeft geleid tot een flinke ontwikkeling in mijn persoonlijke proces.
Op veel lagen.
Er is in positieve zin het nodige verandert.
En laatst dus, bijna op het uur af, bracht de das me naar zijn huis.
Bracht’ie zichzelf weer thuis.
Alsof hij zei: “je kunt het nu zonder mij.”

