Toen ik vrijdag vanuit de achterdeur de stal, die al jaren buiten gebruik is, in stapte kon ik de dikke dode rat die voor mijn deur lag nog maar net ontwijken.
Van schrik deinsde ik terug.
Na een aantal diepe ademteugen keek ik naar het dode dier en ging er op mijn hurken bij zitten.
In de ruim drie jaar dat ik hier woon had ik nog niet eerder een rat gezien of gehoord.
Het verbaasde me dat het hier lag en ergens leek het alsof het voor mijn deur was neergelegd.
Het greep mijn aandacht.
Alsof iets dat lang in het verborgene, het onderhuidse, kon voortbestaan, in het licht was gekomen en niet meer levend te krijgen is.
Dat resoneert met de gebeurtenissen van de afgelopen week.
Met de ruimte die gecreëerd mocht worden voor het nieuwe.
Op mijn wandeling naar het bankje gisteren liep ik door de nevel over de heide.
Het had iets mysterieus.
Ik kon minder ver kijken, waardoor de blik naar binnen verscherpte.
De winter zag ik voor me als een baarmoeder.
En deze kortste dag van het jaar symboliseert de ovulatie.
Het moment waarop verlangen vorm kan krijgen.
De innesteling van de komende weken, de feestdagen en de jaarwisseling, is een fase van bedding; warmte, ritme en verbinding.
De nieuwe maan van afgelopen nacht geeft de intentie extra kracht.
De rat lijkt me te vertellen dat er ruimte is gemaakt.
Dat het oude ruimte heeft gemaakt.
Ruimte voor het nieuwe.
De intentie voor het nieuwe dat onzichtbaar vorm begint te krijgen neem ik mee de winter in.
Zodat het in het voorjaar kan ontspruiten.
En in de zomer kan uitgroeien.
Vorm mag krijgen.
