Woensdagochtenden zijn voor Noor en mij.
Nou ja, als het zwembad niet gesloten is.
Of de bieb, zoals afgelopen week het geval was.
Ze is 3,5 jaar en de tweede in de rij van de vier kinderen van mijn broer.
Een ondernemend meisje met veel praatjes.
Erg zorgzaam ook.
Een moedertje voor het zusje en broertje.
De laatste weken is er iets met de temperatuur van het water, waardoor het te koud is voor kleintjes om te zwemmen.
Soms bellen ze om te voorkomen dat we voor niets op de stoep staan.
Die ochtend was dat niet het geval en kregen we bij de deur te horen dat we rechtsomkeer konden maken.
We reden terug naar haar huis, maar eigenlijk gunde ik haar moeder nog even wat ademruimte.
De jongste telg is nog geen 2 maanden oud.
En de een na jongste 14 maanden en zij ging net naar bed toen wij vertrokken.
“Zullen we naar het bos,” vroeg ik vlak voordat we de woonwijk in reden.
“Ja, naar het bos,” was haar reactie.
Dus reden we door.
Naar Zwiggelte en dan daar ergens een zijweg in, een zandpaadje op om te parkeren vlak bij een bosje.
Dapper stapt m’n nichtje voor me uit.
Ze stopt om te bukken.
Over haar schouder kijk ik hoe ze een aardappelbovist observeert.
“Die is kapot, daar heeft iemand op staat,” zegt ze met een serieus gezichtje.
“Oja,” zeg ik geïnteresseerd.
“Waar is de deur,” ze kijkt me vragend aan.
Voordat ik kan antwoorden hoor ik “oh daar is de deur,” en zie haar wijzende vingertje.
“Hij kan er wel uit,” zegt ze opgelucht.
Ze kijkt me ernstig aan en zegt: “we moeten wel uitkijk. Kom, we gaat die kant op.”
En weg loopt ze.
Ik er achteraan.
“Hoi,” hoor ik haar zeggen, terwijl ze naar een hol kijkt.
“Misschien wonen daar wel konijnen,” zeg ik.
Ze kijkt me aan alsof ik gek ben.
“Stil zijn. Een pinguïn,” hoor ik terwijl ze doorstapt.
“Oké…?” bedenkelijk blijf ik staan.
Even vraag ik me af of ik haar wil onderwijzen over de verschillen in leefgebieden van konijnen en pinguïns.
Ik besluit dat ik haar wereld graag de hare laat en zet de achtervolging in.
“Ik moet plassen,” geef ik te kennen.
Er is niemand in de buurt dus ik trek m’n broek naar beneden en ga zitten.
Verbijsterd kijkt ze naar me.
“Niet tegen mama zeggen,” zegt ze voorzichtig.
Ik moet lachen.
Zij draait zich om en loopt weg.
“Ik weet de weg,” hoor ik haar roepen.
“Welke weg,” schreeuw ik haar achterna.
“Janneke auto,” roept ze wijzend naar mijn toet.

