Net zoals zo vaak liep ik woensdag aan het einde van de middag een rondje ooievaarsnest.
Even de dag van me af laten glijden.
Sinaasappeltje eten.
Om me heen kijken.
M’n hoofd uitzetten.
Op 11:00 zag ik hem.
Of haar.
Z’n tred had iets zorgeloos.
En in z’n energie klonk “lovely day, lovely day, lovely day” door.
Hij bleef wiegend doorlopen.
De zon lichtte z’n vacht op.
Aan de grond genageld bleef ik met grote ogen staan kijken.
M’n adem stokte en vanuit m’n tenen trok een warme gloed door m’n hele lijf.
Even wilde ik m’n telefoon pakken, maar besefte me dat die beweging hem nog weleens kon wegjagen.
Pas toen hij een meter of 10 bij me vandaan was kreeg hij me in de smiezen.
Hij schrok zich het leplazarus.
Maakte rechtsomkeer en zette het op een lopen.
Ademloos bleef ik achter.
Twee jaar geleden kwam de das in mijn leven.
Toen meer als schaduw.
Een suïcidale das sprong voor mijn auto.
Op de dag af een jaar later stonden we met de huifkar aan de rand van een dassenburcht.
M’n vriend zag er een. Ik niet.
Het was alsof de das me toen naar z’n huis had gebracht.
Sindsdien voel ik me stilletjes onderdeel van een soort stam,
een geheimzinnig volk waar je niet zomaar bijhoort.
Een paar maanden terug zei de buurvrouw dat een das de slootwand aan het vernielen was.
Een das? Hier?
Tegen mijn achtertuin aan?
En deze week, op klaarlichte dag, komt hij me tegemoet swingen.
Nietsvermoedend.
Met welke boodschap kom je dit keer?
