“Mevrouw Dijkhuis,” riep de arts vanuit haar praktijkruimte.
Ik veerde op; “present”.
Met een glimlach die gemaakt op mij overkwam en ogen die dwars door me heen keken verwelkomde ze me in het kamertje.
Ze zette haar bril op en richtte haar aandacht op de computer toen ze me vragen begon te stellen.
De antwoorden typte ze driftig mee.
De meegebrachte supplementen, die veel hadden betekent rondom mijn klachten, veegde ze nog net niet letterlijk van tafel: “daar doe ik niets mee,” zei ze.
Mijn ogen werden groter en inwendig slikte ik.
Ze ging verder met haar lijstje in de computer.
We wisten allebei dat we niet op dezelfde frequentie zaten.
Dat was voelbaar.
Was er bereidheid om elkaar te horen?
Voor ik er erg in had waren we verwikkeld in een discussie.
Terwijl ze zich losmaakte van de computer, schoof haar bureaustoel naar achteren.
Ze zat recht tegenover me en keek me strak aan.
En ik keek terug.
Ik ging verzitten om mezelf ook recht tegenover haar te positioneren en zakte ontspannen op de stoel.
Ik geloof dat ik maar een beetje overdrijf als ik zeg dat we elkaar een minuut lang aankeken.
Alsof we in een stare-down zaten.
Niet veel later bedankte ik haar voor haar tijd en deelde ik mee dat ik verder geen gebruik van haar expertise wilde maken.
In welke ogen keek ik?
Vroeg ik me later af.
Die van een wandelend hoofd.
Mijn eigen krachtige wandelende hoofd.
Het deel van mij dat ik veroordeel en probeer te verbloemen achter het allemaal heel goed te weten…
Waar ik op de schaal sta om dit deel van mij te integreren wisselt ieder moment.
Maar dit is wat ik gespiegeld kreeg.
En het voelde intens.
En ook als een soort van bevrijding.
Een ontwikkeling op een andere laag.
De laag van m’n grens voelen en bewaken.
En in die confrontatie bij mezelf blijven.
Niet verharden. Niet pleasen.
Gewoon ik en hoe het in mij leeft.
En daar ok mee zijn.
