Ik ging dood toen ik 15 jaar was.
En opnieuw toen ik 21 was.
En ook afgelopen september toen ik ontzettend getriggerd raakte in een gesprek met mijn vriend.
En weet je, ik denk dat het nog veel vaker gaat gebeuren.
Want dat is het leven: door pijn, verdriet en angst heen werken.
Doodgaan.
Maar de andere kant is net zo goed realiteit.
Iedere keer dat ik afscheid mocht nemen van een versie van mezelf die niet meer levensvatbaar was, was ook de geboorte van een deel van mij dat vrijer, wijzer en liefdevoller was dan voorheen.
Sterven is niet alleen verlies.
Het is ook een thuiskomen en herinneren. Het is een eerbetoon.
Na het stilvallen van de strijd ontstaat er ruimte voor nieuw leven.
Een zachtheid die niet meer bang is om opnieuw te beginnen.
Ruimte voor vertrouwen in dat zelfs ‘het breken’ heilig kan zijn.
Dus als ik m’n 15-jarige zelf in haar ogen zou kijken, dan zou ik zeggen dat haar wereld inderdaad aan het instorten is, dat ze nooit meer hetzelfde zal zijn en ik zal haar ook vertellen dat de zon de volgende dag weer opkomt. En dat ze in haar leven keer op keer haarzelf van een oude huid zal ontdoen.
En ik zal haar vertellen dat er een dag komt waar we het niet meer hebben over de dingen die eindigen, maar veel meer over de start waarmee dat moment ook kwam.


