De takjes van de bomen zijn wit.
Op weg naar het bos waren ze witter.
In het bos lijken de bomen elkaar warmte te geven.
Wanneer we langs een watertje lopen is er een flinterdun ijslaagje te zien.
Niet langs de kant, daar is het dooi.
Soms laat een eend van zich horen.
Hij doet een duif na.
Ik een valse kraai.
Wanneer we bij een beslismomentje aankomen kies ik voor linksaf.
Het mooie groene pad.
Mooi blijkt wederom relatief en brengt ons gesprek terug naar de ideale lengte van het gras.
De één houdt van hoog gras waar bloemetjes in groeien.
Ik houd van gras waar ik kan zien waar ik m’n voeten neerzet.
Het groene graspad met groene dennenbomen langs de kant doen me eraan herinneren dat na de winter de lente komt: nieuw leven.
Het pad verandert wanneer naakte eikenbomen het decor tekenen. Hun bruine bladeren bedekken het pad en herinneren me aan de herfst.
In de verstilling van de winter zijn zowel het nieuwe leven van de lente als de transformatie die de herfst brengt zichtbaar. Voor mij is echter alleen de winterkou voelbaar.
Deze winter leer ik om nog iets meer van haar te houden.
De voorwaartse beweging is voor mij zo gemakkelijk, stilstaan is de uitdaging.
Zijn in niet-weten.
Zijn.
Ik voel me ertoe uitgenodigd.
Het aannemen van de uitnodiging is in theorie gemakkelijker dan dat de praktijk me laat ervaren.
Het doorbreken van patronen ontvouwt zich wederom als een proces.
Met het winterbos als herinnering dat de enige zekerheid verandering is.
Geen wedergeboorte zonder stervensproces.
Weer die twee kanten van dezelfde medaille.
Leven.

