Gisteren was de kortste dag van het jaar.
De start van de winter.
Op het levenswiel is de winter verbonden met het noorden.
Verstilling, oordeelloos, van een afstandje naar jezelf kunnen kijken, reflecteren.
Allemaal eigenschappen van het noorden.
En in het noorden vind je ook de voorouders.
Zij die uit de tijd zijn gestapt.
Daarmee is het noorden ook de plek van uit de vorm gaan.
Dood.
De lading van het woord is voelbaar.
Dood.
Ik voel het in m’n buik.
Bij de bron van het leven.
Het één roept het andere op.
Het noorden roept het zuiden.
Net zoals het zuiden het noorden roept.
Net wanneer ik dan voluit begin te leven, wanneer ik de wind in m’n rug voel en geniet,
dan begint het te roepen.
Te trekken.
Wie volg ik wanneer ik weg beweeg van m’n plek?
En waar ga ik dan naartoe?
Inmiddels heb ik er beeld bij.
Steeds beter in ieder geval.
Althans zo voelt het.
Onvoltooide levens in het voorouderveld.
Levens die niet voluit geleefd konden worden.
Ondanks dat ze bij het noorden horen,
zijn juist de voorouders voor mij heel aards.
Grondend.
Iedere keer wanneer er iemand trekt,
wanneer ik een voorouder volg,
leer ik mijn systeem weer een beetje beter kennen.
Mezelf.
Het helpt om me geworteld te voelen.
De weg terug te vinden naar mijn plek.
Om vanuit daar anders te beslissen.
En voluit te leven.
Het is de enige plek waar dat mogelijk is.
Het volle zuiden.
Het volle zuiden in het noorden van het wiel.
Welkom winter.
Welkom krachten van het noorden.

