“Het gaat sneeuwen,” zij hij toen we maandagavond thuiskwamen van yoga.
“Waarom denk je dat,” vroeg ik nieuwsgierig, wetend dat ook hij niet naar het weersbericht kijkt.
“Dat kan je voelen aan de kou”.
De volgende ochtend vroeg moest ik plassen.
Anders dan verwacht was het niet echt donker.
Zittend op de pot keek ik over m’n rechterschouder naar buiten en zag dat hij gelijk had.
De moestuin, die ik zondag nog had omgespit en voorzien van een laagje compost, was nu wit.
Het loof van de knoflook lag ingepakt onder een laagje sneeuw.
De ruiten hoefde ik niet te krabben.
De sneeuw liet zich gemakkelijk opzijschuiven.
Langzaam reed ik langs de middenraai naar huis.
Niet wetend of ik nog op de weg reed of in de berm wanneer tegenliggers me passeerden.
Bij mij in huis staat een foto van mij en m’n broer.
Allebei een blauw winterpak aan, liggend in de sneeuw voor het huis.
Volgens mij was hij een jaar of drie en ik twee.
39 jaar geleden zo’n beetje.
In mijn herinnering hadden we vroeger veel vaker een dik pak sneeuw dan tegenwoordig.
Net als schaatsen op de ijsbaan is een sneeuwballen gevecht en sleetje rijden nostalgie geworden.
Maar deze week was het weer even realiteit.
Het heeft iets magisch, die witte sneeuwvlokjes die naar beneden dwarrelen.
Binnen de pellet kachel aan.
En op het vuur een pan snert.
De volle maan glunderde deze week ook.
De cirkel was bij mij thuis.
De maan in leeuw die gaat over gezien en bevestigd worden.
Daar tegenover staat de zon in waterman die gaat over radicale authenticiteit.
Volledig jezelf zijn en tegelijkertijd aardig gevonden worden door iedereen.
Hoe dan?
Een heen en weer bewegen tussen die twee polen.
Het is net “leven”
Leven in het noorden.
Met sneeuw, zoals een echte winter betaamd.
Het maakte iets ouds in mij wakker.
Iets tijdloos.
Het vertraagde de tijd en maakte dat ik m’n eigen ritme nog iets beter kon voelen.
Kan volgen.

