De ene dag wordt het me in een gesprek met een vriendin voelbaar duidelijk hoe gemakkelijk ik de bal vang.
Dat ik in de tegenoverdracht zit.
Ze projecteert haar eigen schaamte over ruimte innemen op mij.
En ik neem aan dat ik te veel ben.
Niet zo aanwezig moet zijn.
Een paar dagen later wandel ik met een andere vriendin en voel ik ineens hoe zij haar nog ongeleefde verlangen om gezien te worden op mij projecteert, waardoor ik wederom in tegenoverdracht schiet en juist voel: ik mag voor mezelf opkomen en mezelf laten zien.
Ik realiseer me weer eens dat beide waar zijn.
Voor hen.
Maar dat ik ook beide kanten in mij draag en leef.
Ik kan mezelf overschreeuwen, even lekker tegen je aanpraten zonder je ruimte te geven om te interrumperen, dan zul je weten dat ik er ben en wat ik ervan vind.
En in een volgende setting duik ik weg en geef ik mijn portie aan fikkie.
En alles ertussenin kan ik ook zijn.
Wat me zo opvalt, omdat ik het in mezelf herken, is dat veel mensen zich gemakkelijker identificeren met weg bewegen, jezelf onzichtbaar maken en het innemen van zo min mogelijk ruimte.
Voelt lekker braaf en is meer geaccepteerd.
En tuurlijk, ik weet dat er een oorzaak onder ligt. Daar gaat mijn werk over.
En het is ook m’n werk om de ander te laten inzien dat alles wat je wegdrukt, onderdrukt en afwijst ergens anders, wellicht in een andere vorm, zijn tegenpool leeft.
Dus als ik mezelf, al dan niet langdurig, klein maak dan zoekt de tegenpool vroeg of laat een uitweg en uit zich dat, in mijn geval, in dat ik erg aanwezig ben.
De ene pool roept nu eenmaal de andere op.
Ze staan niet los van elkaar.
Om gebalanceerd door het leven te bewegen heb je ze beide nodig.
Bij voorkeur in kleine beetjes: dan weer wat meer ruimte innemen, dan het podium wat meer aan de ander laten.
Maar als je je altijd klein maakt, dan leeft het deel dat gezien wil worden in de keerzijde van z’n kracht met het risico om destructief te worden.
Dus laat ik het bruisen en borrelen in mij toe.
Ik voel het steeds meer opkomen naarmate de temperaturen stijgen en de zon in kracht toeneemt.
Er wil iets uit. Ruimte innemen. Gehoord worden.
Er is een deel in mij dat gezien wil worden.
Dus leer ik om ruimte in te nemen die me toebehoort.
Of die me toekomt.
Zonder me daarvoor te excuseren of het braaf te maken.
En ook zonder sorry te zeggen.
Want sorry is in veel gevallen niets anders dan: ik maak mezelf weer kleiner zodat jij je weer comfortabel voelt.
